boek - De pil - mike Bodde

Depressie

Boek - De pil - mike Bodde

Half tien; de wekker gaat. Even zweef ik in een soort luchtledige
waar geen verdriet bestaat. Een moment lang kan ik me niet herinneren
wat er ook alweer aan de hand was. Er was iets vreselijks
maar wat was het ook weer? Dan komt de pijn als met een
mokerslag; o ja, ik ben depressief. O mijn god, daar begint het
weer. Mag ik niet gewoon een keer definitief inslapen; mag ik er
niet gewoon in blijven, in die zachte sluimer?
Ik moet eruit. Als ik er nu uit ga, ga ontbijten en douchen,
dan is de pijn soms tegen lunchtijd al iets minder. Ik wil niet, ik
kan niet. Ik ben te misselijk om te eten, en douchen is volkomen
nutteloos en irrelevant; de binnenkant moet schoon worden en opgeruimd,
niet de buitenkant. Waarom de buitenkant schoonmaken
als de binnenkant één grote puinhoop blijft?
Toch maar eruit. Ik wil niet. Toch doen. Stap, stap, stap naar
de douche. Ik wil niet. Je moet! Douche aan. Herrie van druppels
op de douchevloer. Ik wil niet, je moet. Met mijn hoofd in mijn
handen onder de vallende druppels. Ik wil niet meer. Ik kan niet
meer, je moet. Het water gewoon maar even laten stromen, ik heb
geen zin om me in te zepen. Gewoon het water langs mijn lijf laten
afglijden. Ik wil niet, je moet. Beetje bewegen is toch beter. Stilstaan
maakt de pijn erger. Beetje wrijven over m’n armen en borst.
Douche uit. Oorverdovende stilte. Ik wil niet meer je moet.
167/268
Handdoek pakken, geen zin om af te drogen. Dan maar een beetje
deppen. Ik wil niet meer je moet. Even op de rand van het bed zitten.
O nee, geen goed idee. Stilzitten brengt niets dan ellende. Opstaan,
kleren pakken. T-shirt aan, broek aan. Broek is wat strak, ik
heb niet de puf om hem over mijn dijen heen te sleuren. Even zitten.
O nee, geen goed idee. Toch maar trekken aan die broek. Ikwilnietmeerjemoet.
Schoenen aan zonder de veters los te maken.
Oké, missie volbracht.
Naar binnen. Drukte. Werkster in de weer met allerlei lappen
en emmers. ‘Goeiemorrege menee B’dai’. Moeder druk bezig
met de strijk. God mag weten waarom. Ikwilniemeerjemoet. Boterhammen
met pindakaas, geen puf voor boter. Boterham wil niet
weg; te misselijk en een veel te droge mond. Wegspoelen met
lauwe thee. Wilniemeermoet.
Dit gaat helemaal de verkeerde kant op. Ik moet iets doen. Ik
ga hardlopen. Trainingsbroek aan en joggingschoenen. ‘Even hardlopen,
zo terug.’ Ik rijd in m’n moeders Peugeotje naar de Kralingse
Plas. Wilniejemoet. Straks als ik ren gaat het vast beter. Parkeer
de auto, stap uit en zet ’t op een sjokken. Ik voel me zwaar. Ik
voel me leeg. Het lijkt of ik niet ontbeten heb, maar ik heb toch
twee boterhammen met pindakaas op. Elke stap weegt zwaarder
dan de vorige. Wilniemeermoet. Er vliegen kauwtjes omineus
kraaiend over mijn hoofd. Zou dat een voorteken zijn dat het
vandaag gaat gebeuren? Ik sleep me voort. Even stilstaan. Nee is
niks. Moet verder. Kannie. Moet. Wilnie, moet. Ik moet echt want
dan gaat het straks misschien iets beter. Plotseling sta ik stil. Ik wil
niet meer. Ik wil niet meer. Ik wil niet meer. Ik wil niet meer. Ik wil
niet meer. Ik wil niet meer…ik wil niet meer…ik wil echt niet meer.
De wind waait door me heen, de vogels kwetteren door me
heen, het schelle zonlicht schijnt door me heen. Ik lijk wel vliesdun.
Ik heb geen verweer meer. Ik geef me over. Als er nu niet iets
168/268
drastisch gebeurt, dan doe ik het. Dan spring ik in de Kralingse
Plas en laat me gewoon zinken; of ik wacht tot ik onderkoeld ben
en indut.
Ik kan niet meer. Je moet!
Ik kan niet meer. Je moet.
Ik kan niet meer. Je moe.
Ik kan niet meer. Je mo.
Ik kan niet meer. Je m.
Ik kan niet meer. Je.
Ik kan niet meer. J.
Ik zit er nu heel dichtbij, ik voel het. Als dit gevoel nog sterker
wordt, dan weet ik dat ik me zal overgeven aan het verlangen. Als
de pijn nog even iets heftiger wordt, dan zal mijn weerstand breken.
En eigenlijk kan het me nu niet meer zoveel schelen. Deze ellende
moet stoppen. Ik Kan Niet Meer. Er hoeft nu nog maar een
cel te verschuiven, een molecuul te splitsen, of een zenuwprikkel
losgelaten te worden in m’n hoofd, en ik ben over de schreef. Ik sta
op de rand van het ravijn. Eén duwtje…
Als ik nou iets eet, dan voel ik me misschien zo iets beter. Ik heb
niks te eten. Ik kan misschien bij restaurant De Tuin iets halen,
maar ik heb geen geld. Ik kan iets bietsen van de kok, maar ik durf
niet. Toch maar naar huis. Stap, stap, stap, auto. Sleutel, slot, open.
Instappen, sleutel, contact. Rijden, o mijn god, laat een van deze
machtige lindebomen gewoon per ongeluk op deze auto vallen.
Dan ben ik weg en heb ik het niet zelf gedaan. Schakelen, sturen,
tegenligger. Lieve god, laat die auto daar een slinger maken en mij
aanrijden zodat er een groot ongeluk gebeurt en ik, buiten mijn
schuld, omkom. Maar de chauffeur is zulks niet van plan. Hij
maakt keurig een bochtje. Ik wil niet meer je moet. Ik wil het niet
169/268
meer, maar je weet dat je moet. Rijden, gewoon doorrijden. Niet te
veel om je heen kijken want alle reclameborden, alle uithangborden,
alle namen op ramen en alle posters langs de weg roepen nare
associaties op die het fragiele evenwicht in m’n hersens kunnen
verstoren. Door door door.
O, laat de tram me aanrijden. Ik wil niet meer maar je moet
godverdomme. En door door door. Gewoon op het laatste restje
automatische piloot.
Ik parkeer de auto, loop de trap op, doe de sleutel in het slot en
stap naar binnen. Mijn vader heeft me gehoord en komt me tegemoet.
Hij lacht opgelucht; het lijkt wel of hij iets gevoeld heeft. Hij
is blij dat ik er weer ben. Ik houd van hem.
Ik heb het gered.

Reacties

Madeliefje

veel herkenbaar!! Vond het echt een boek wat het belang van de juiste AD aantoont.

noukie (niet gecontroleerd)

erg herkenbaar pffff

inDepressie tipt

  • Momenteel nog geen tips